Wat is nu eigenlijk een sprinter……….. ???
Nu het seizoen weer voor de deur staat en iedereen op zijn of haar manier de winter is doorgekomen moeten we ons realiseren dat het dit jaar hetzelfde zal gaan als in de meeste jaren ; 9 van de 10 wedstrijden worden in een sprint beslist. Vandaar de onderstaande simpele verklaring van het al of niet kunnen sprinten.
Over rood en wit had ik het de vorige keer al. Maar toen het ging om rode en witte bloedcellen. Deze keer gaat het over witte en rode spiercellen en vezels. Ik zal niemand vermoeien met de biochemie van de spieractiviteit of uitweiden over inspanningsfysiologie hoewel ook dat buitengewoon interessant kan zijn.
Het is en blijft altijd indrukwekkend als je een peloton voorbij voelt razen en nog leuker als je er deel van uitmaakt. Velen van ons kijken op de t.v. naar de slot- kilometers van ettappekoersen of naar het laatste uur van een wielerklassieker. Je moet dan maar eens kijken naar de sprinters ; de ellebogen uiteen, de ruggen gekromd en de benen op ontploffen. Het lijkt wel een thriller ! In België zegt men dan ook dat een ‘spurter’ altijd “een bank vooruit zit”. Let met deze wetenschap in je achterhoofd maar eens op en het blijkt een waarheid als een koe te zijn. Voor Zabel misschien een waarheid als een paard…….. Sprinten en dus ook explosief kunnen zijn na een haakse bocht of bij een demarrage is heel belangrijk in het wielrennen. Je kunt er een beetje op trainen maar van een anti-sprinter maak je geen super Mario en van een niet klimmer maak je nooit een renner die dansend naar boven gaat.
We zijn zoals we zijn en hebben onszelf niet gemaakt. We moeten dus roeien met de riemen die we hebben (meegekregen). Hetgeen we hebben meegekregen van onze ouders kan totaal verschillend zijn. Je hebt klimmers, tijdrijders, kleppers voor de laatste kilometer, pistiers, stayers, achtervolgers en…….. sprinters.
Zoiets zit ‘m in je spieren en in je vezels. Zo wordt je dus geboren. Kijk maar eens bij de jeugd hoeveel kinderen van voormalige toppers ook heel goed meekomen en dezelfde kwaliteiten etaleren als hun vader of moeder. Een prachtig voorbeeld zijn de kinderen van Jean Paul van Poppel die alle drie Nederlands Kampioen zijn en buitengemeen goed ‘aankomen’ als het op de laatste meters aankomt.
Bepaalde eigenschappen krijg je van je ouders mee. Bidden dat het zal veranderen of verbeteren helpt niet en hopen dat het in de toekomst beter wordt al evenmin. Toch kun je niet beweren dat je niet kunt verbeteren op je ‘mindere punten’. ‘t Klinkt allemaal logisch maar is het dat ook ??? Hoe komt het nu dat je van een tijdrijder geen echte sprinter maakt ? Het heeft allemaal te maken met de aard van de vezels en cellen die in onze spieren zitten ; ook daarvan heb je rode- en witte. De rode zijn traag, maar bevatten veel zuurstof die dus een goede doorbloeding van de spieren geven. Die geven je de mogelijkheid om te blijven ‘gaan’ zoals in lange ontsnappingen maar je bent er niet explosief door. Kijk maar eens naar die lange en magere Keniaanse marathonlopers, die hebben rode spiervezels genoeg maar een sprinter zit anders in elkaar. Die heeft veel witte vezels of spiercellen. En die witte zijn dus de snelle maar met als kenmerk dat er weinig zuurstof in zit. Ze vervoeren ook weinig zuurstof. Nog vreemder is dat ze energie produceren zonder zuurstof aan te maken. Heb je witte vezels in overvloed dan spurt je snel, dan heb je aan het eind van de wedstrijd toch nog iets over. Daarom kan het zijn dat een sprinter die bij wijze van spreke ‘hartstikke dood zit’, toch nog een sprint kan aangaan als hij of zij het finish doek ziet hangen. Feit blijft dus dat je met zulke vezels wordt geboren. Heb je ze in mindere mate dan worden het er hoe dan ook nooit meer. Van de andere kant heb je nooit alleen maar rode- of witte vezels en cellen. Je beenspieren bevatten altijd een mix maar die is wel voor iedereen verschillend. Naar gelang van de mix waarover je spieren beschikken, ben je een sprinter die met redelijk gemak over de hellingen komt of één die een katapultsprint in huis heeft. Het trainen van de witte vezels d.m.v. krachttraining, interval of sprinten op de grote versnelling alleen heeft weinig zin als je ook niet traint op uithouding. Wat heeft het immers voor zin een sprinter te zijn als je door gebrek aan uithouding de finish niet eens haalt. Voor de pistiers gelden andere wetten want daar gaat het uitsluitend om de sprint. Toch zie je ook deze jongens met hun turbodijen door de polders gaan en niet omdat dat nu zo nodig is maar om net als iedereen te genieten van de seizoenen, de natuur, de rust of vanwege het gezellig oprijden met elkaar en zo de kilometerjes te draaien die nodig zijn om de spieren ‘juist te oriënteren’. Toch moet je er ook niet raar van opkijken als je er een ziet aan de voet van het Kopje in Bloemendaal die op de grote versnelling (53x14) stapvoets omhoogkruipt om zo de pure kracht te trainen die ook zo nodig is in een sprint. Ieder op zijn eigen manier en met zijn eigen doel want…….om maar eens filosofisch af te luiten ; het is prettiger te reizen dan aan te komen.