Pijn als waarschuwing of als
aanmoediging….???????
(‘De vicieuze cirkel én de negatieve spiraal van de prestatiebevordering’)
Bewegen is gezond. Maar geldt dat ook voor topsporters en in het bijzonder wielrenners ? Topsporters gedefinieerd niet in de zin van diegenen die ‘aan de top staan’ , maar veelal ook wielrenners die het uiterste van zichzelf vragen en daarmee een (voor hún doen) topprestatie leveren. Bij topsport draait het vooral om beter presteren…….daarover discussiëren lijkt me weinig zinvol omdat iedereen het wel over deze stelling eens is. Voortdurend worden lichamelijke en mentale grenzen verlegd. De sporten waarin dat bij uitstek gebeurt zijn de individuele sporten zoals atletiek, zwemmen, schaatsen en natuurlijk wielrennen. Wetenschappelijke inzichten en technieken zijn daarbij niet meer weg te denken. Ze worden geïntegreerd in het materiaal en de ‘vak’-bladen staan vol met trainingsadviezen. Het internet is de laatste loot aan deze adviezenstam. Je wordt onder de voet gelopen door allerlei goedbedoelende en quasi deskundige ‘experts’. Al het geavanceerde materiaal, de voedingssupplementen, de verbeterde trainingsmethoden maar ook geneesmiddelen en verboden middelen dragen allemaal bij aan nieuwe records en topprestaties. Door op de toppen van je kunnen te balanceren neemt natuurlijk ook de kans op letsel en blessures toe. Dat het verleggen van je grenzen (en van de grenzen in de topsport in het algemeen) ten koste gaat van de gezondheid lijkt wel verdisconteerd in de topsport- ’praktijk’. Blessures horen immers bij topsport……… De voorbeelden van sporters die uiteindelijk stoppen wegens blessures zijn talrijk, net zoals de voorbeelden van sporters die veel te lang met blessures door-’lopen’(of fietsen). Om toch aan die ene belangrijke wedstrijd te kunnen deelnemen worden zelfs op tamelijk grote schaal pijnstillers of ontstekingsremmers gebruikt. Je zou (dus……..!?) kunnen concluderen dat pijn eerder werkt als een aansporing dan als een waarschuwing. Er is naar mijn idee geen sport waarin deze ‘regel’ van aansporing in plaats van waarschuwing, meer opgeld doet dan de wielersport. Het lichaam van de wielrenner wordt uit zijn voegen getrokken door extreme inspanningen. Een beetje serieuze wielrenner laat zich daarom graag ondersteunen door een waaier aan (para-)medici om hun gelijk bevestigd te krijgen. Te denken valt hierbij aan een fysiotherapeut, een sportarts, een inspanningsfysioloog, een voedingsdeskundige of de ouderwetse soigneur. De gezondheidsrisico’s die topsport en wielrennen in het bijzonder met zich meebrengt en de schade die het met zich meebrengt, lijken volkomen normaal en zelfs geaccepteerd. In ieder geval bagatelliseren we de minder plezierige kanten van ons sportbestaan ten overstaan van de buitenwereld (onze maatjes, concurrenten, keuringsarts) behoorlijk en soms zelfs gevaarlijk fors. Toch is deze manier van kijken naar topprestaties er één, die twee belangrijke (misschien wel dé belangrijkste !?) problemen aan het zicht onttrekken !
Ten eerste natuurlijk dat met het opschroeven van de prestaties voortdurend ook andere grenzen opschuiven. Bijvoorbeeld een belangrijke grens tussen wat ‘normale’ prestatiebevordering is of wat therapie nog behelst. In gewone mensen-(wielrenners)taal ; wat is gezond en wat is ziek ? Ten tweede verhult de medicalisering van topsport een forse dubbele moraal. Sommige stoffen worden verboden vanwege hun ongezonde werking, terwijl andere ongezonde effecten van topsport niet eens ter discussie staan. Beide punten maar even toelichten. Eén van de verschuivende grenzen in de topsport is die tussen therapie (‘back to normal’ of terug naar de normale praktijk) en prestatiebevordering ( ‘beyond normal’ of de spreekwoordelijke grens voorbij). Die grens is / blijkt flinterdun. Bij topsport wordt met het oog op nieuwe records (veelal persoonlijke – PR’s dus) de grens van wat ‘normaal’ is voortdurend verlegd, opgerekt of opgeschoven. Wanneer daar dan blessures door ontstaan, worden die verholpen met ‘medische middelen’. Hier staan we aan het begin van de vicieuze cirkel ; het lichaam geneest maar wordt tegelijkertijd ook in staat gesteld nadien beter te presteren. Om de cirkel rond te maken is of kom je dus van therapie in prestatiebevordering terecht. De meeste sporters kunnen in het dagelijkse bestaan prima zonder medicijnen functioneren maar zonder medicijnen sporten is er vaak niet meer bij en de vraag is dan natuurlijk wel ; hoe ‘gezond’ is dat nog ? Schaatsers met openlijke vernevelmaskers en baanwielrenners met aërosol-puff’s. ‘Kijk eens hoe diep ik ben gegaan’, lijkt men te willen zeggen en dwingt daarmee bewondering af. Dat het weerzin oproept komt niet op in hun hoofd want dat is niet de ’bedrijfscultuur’……
Vlak ook het bijgeloof niet uit. Je krijgt bijv. een voeding-supplement waarop een maatje ‘het prima doet’. Nooit is er enig wetenschappelijk bewijs geleverd voor de werkzaamheid van het betreffende supplement maar het is waarschijnlijk net als bij Cruyff die altijd eerst zijn linkerschoen aantrok. Het verschil is echter tweeërlei ; de Cruyff methode kostte geen geld en van schadelijkheid was al helemaal geen sprake. Pas dus ook op voor vitaminen, paardenmelk-extracten, orthoho-moleculaire zaken of andere nieuwe kleren van de Keizer of oude wijn in nieuwe zakken. De enige zakken die gevuld worden zijn toch veelal die van de producenten die op het gebied van topsport begeleiding niet zo’n hoge moraal hebben.
De topsport lijkt dus vooral vooruitgang te boeken op basis van de eerder geschetste dubbele moraal.
De geproblematiseerde medicalisering van de topsport(er) zorgt ervoor dat stoffen ‘doping’ worden genoemd als ze ;
1.; prestatiebevorderend zijn en/of
2.; ongezond zijn en/of
3.; indruisen tegen de geest van de sport of het sportieve bezig zijn.
Dit krankzinnige en hypocriete beleid lijdt tot een ware heksenjacht onder topsporters die dag en nacht beschikbaar moeten zijn en zelfs hun agenda’s moeten inleveren voor een ‘out of competition controle’. Daarnaast wordt het beleid ook nog eens reuze selectief toegepast. Immers ;
vrijwel de gehele topsport (ook wel bedrijfstak genoemd !) voldoet aan 2 van de 3 criteria van het dopingbeleid t.w. ; het is ongezond en het is prestatiebevorderend. Toch is topsport niet in zijn geheel verboden evenmin als ‘therapeutisch’ medicijngebruik. Je kunt, tenminste àls je dit beleid wilt verbeteren / veranderen, de jacht op ‘verboden middelen’ intensiveren of topsport op de dopinglijst zetten. Het lijkt me zinniger om eens te kijken naar de motor die achter de zojuist geschetste ontwikkelingen zit of lijkt te zitten. De logica van de hedendaagse topsport is er één, waarin vooruitgang wordt gedefinieerd in termen van seconden of centimeters, en dat de nadruk die ligt op die gouden plak of podiumplaats zwaarder weegt dan de gezondheid van de sporter. Een bedenkelijke ontwikkeling maar niet tegen te houden door zaken als commercie, mentaliteitsveranderingen, acties van ziektekosten- verzekeraars, sponsorbelangen, media , politiek en publiek (ook niet onbelangrijk !) enz. Ook komt de gezondheid in gevaar door verdergaande en steeds vroegere specialisatie op één onderdeel van de sport, waardoor eenzijdigheid de kop opsteekt. Sporters zullen gebruik blíjven maken van wetenschap en technologie. Toch lijkt het me belangrijk om zo nu en dan eens stil te staan bij de gezondheidsaspecten van topsport of het bedrijven van sport op de toppen van je kunnen. Iets dat ik gedaan heb in de bovenstaande bijdrage aan ons clubblad. Bezint eer ge begint dus als leidend motto……. Ben ik de enige die in onze woordenschat maar één spreekwoord ken waar het woord gezondheid in voorkomt ‘Je gezondheid is je grootste schat’.
De concluderende vraag luidt dan ook ; is het verantwoord om nog meer gezondheid te vragen in ruil voor prestatieverbeteringen die met het blote oog nauwelijks waarneembaar zijn ?
Met vriendelijke sportgroeten van Han Wind.