De man met de hamer.
Dat het in de wedstrijdsport draait het om winnen is een gevleugelde uitspraak. Voor sommigen draait het zelfs om niets anders dan om de eindoverwinning. We hebben met 2008 een sportjaar achter de rug met grote wielerronden, NK’s en WK’s wielrennen in het veld, op de baan en de weg, de Olympische spelen waarbij meedoen belangrijker is dan winnen, Wimbledon, voetbalkampioenschappen en nog veel meer hoogtepunten. Maar………als je kijkt naar sporten als een manier om de tegenstander te verslaan, als een strijd om medailles, is dat kijken naar het resultaat. Dat resultaat ligt daarmee dan buiten jezelf. Het resultaat heeft dan een doel buiten het sporten zelf gekregen. We knokken dan om iets te bereiken dat niet tot het sporten zelf behoort. Wat zouden we doen als we zouden sporten zonder ooit te (willen) winnen ? Noem het eens knokken zonder doel. Vechten waarbij enkel ‘de weg’ het doel is en niet het doel of resultaat op zich. Voor velen is dat een vorm van zwervend sporten op een weg die van zichzelf al mooi is. Zwervend kom je overal zou je kunnen zeggen maar daar kom je in de reguliere sportpraktijk nergens mee. In de dilemma interviews heet dit dan het dilemma van ; reizen of aankomen. Als je de stelling ‘sporten zonder direct doel’ verder doortrekt, zou je kunnen stellen ; we zouden kunnen sporten om te ‘over’winnen. Het ‘over’ is dan een soort van bruggetje. De weg naar ‘iets anders’. Winnen doe je namelijk op een weg met een einde. Op die weg met einde (de meet) versla je je tegenstanders, althans dat is het streven, het doel. Wie wint, stopt. Maar wie ‘over’wint gaat verder en zal nooit aankomen. Je vecht hooguit tegen of liever gezegd mét een medestander. Die medestander ben je dan wel vaak zelf. Overwinnen wordt daarmee zelfoverwinning, en zelfoverwinning heeft geen einddoel. De strijd win je niet waar ‘men’ een eindstreep heeft getrokken maar ‘ergens’ onderweg.
Lao-tse (de Taoïstische filosoof) dichtte ;
Wie andere kent is knap, wie zichzelf kent is wijs,
Wie anderen overwint heeft macht, wie zichzelf overwint heeft kracht.
De Oosterse filosofie verschilt nogal fors van ons ‘Westers verlichte’ denken. De oosterse denkers boetseerden met hun handen het beeld van de mens. De westerse filosofen hanteerden soms de hamer. Het beeld van die mens waar die hamer dan tegenaan gaat, is dan dat van de louter rationele, geestelijke mens. Het lichaam was voor hen een ontembaar en soms onhandelbaar ‘iets’. Een onding. Het lichaam werd dan weg gedefinieerd. ‘Ik denk, dus ik ben’ maar nooit ; ‘ik voel, dus ik ben’. ‘Verachters van het lijf’ noemde Friedrich Nietzsche ze. ‘Zonder dat we daar een heldere en bewuste kijk op hebben denkt het lichaam voor ons’ stelde hij eens. ‘De rede, het denken en de geest hinkelen maar wat mee’. En U weet hoe Nietzsche door velen werd genoemd ; de filosoof met de hamer.
Het torenhoge cliché dat een gezonde geest in een gezond lichaam huist, blijft overeind. Maar ook fysieke inspanning kan werken als meditatie en daarmee als geestelijke activiteit. Hoe vaak gebeurt het me niet dat ik na een lange trainingsrit thuiskom met goed geordende gedachten. Fascinerend is ook dat je vaak thuiskomt met nieuwe ideeën, soms nog ruw en wild maar die polijst je dan tijdens een volgend ritje maar. Sport breng harmonie in de gedachten- en ideeënchaos. De lijfelijke worsteling stemt de geest, geeft er kleur aan en laat hem spreken. Dat spreken is niet meetbaar, niet analyseerbaar maar het doet wel leven.