Twee  geschiedkundige ‘eindejaars-wetenswaardigheden

 

Wat voor de één het einde van het seizoen is, is voor de ander het begin  van het seizoen of een doorstart naar een andere vorm van wielrennen.  De meest beoefende winterdisciplines zijn binnen het wielrennen toch nog steeds ‘de Piste’  en  ‘het veld’.   Zoals je op de Piste de nodige disciplines hebt, zijn er in het veldrijden  natuurlijk de MTB en de cyclocrossfiets.  In ‘het veld’ worden de verschillen gemaakt door de weersomstandigheden, de temperatuur en de terreintypen verschillen zo sterk van elkaar dat geen training of wedstrijd hetzelfde is. Ook dan net als op de Piste ; variatie genoeg.  Het opmerkelijke dit jaar is dat we nu in beide disciplines internationale (Europese) kampioenen hebben in de personen van Stam-Schep,  Mathé Pronk en in het veld Lars Boom en Daphne van den Brand.  Dat het veldrijden bij de dames nog niet lang beoefend wordt, weten we waarschijnlijk allemaal wel (vanaf de jaren ’80) maar waar de ontstaansgeschiedenis van het eerste veldrijden ligt en waarom een baan-brommertje’/ motortje nu eigenlijk Derny heet, dat wil ik in een paar zinnen (zo aan het begin van het winterseizoen) eens proberen te verhelderen.

Te beginnen met het veldrijden.  Een autocrosser vertelde me een paar jaar geleden het volgende verhaal toen hij vernam dat ik aan diverse vormen van wielrennen deed. ‘Er zitten meer overeenkomsten tussen auto-cross en fiets-cross dan jij denkt’ meldde hij me.

‘Wist je  bijvoorbeeld dat beide sporten zijn ontstaan in het begin van de vorige eeuw toen er nog nauwelijks verharde wegen en paden waren. Er werd ook veel meer op soms demontabele banen gereden. Amsterdam had er meerdere waaronder de beroemde Museumpleinbaan (denk hierbij aan publiekstrekker Jaap Eden de schaatser-wielrenner) en de Zwanenburgbaan legendarisch waren. Er mocht zelfs jarenlang niet eens op de openbare weg (hard-)gereden worden.  Veldwachters waren er attent op maar konden door de weilanden wegvluchtende wielrenners vaak niet te pakken krijgen. Toen al had het ‘veld’ iets heroïsch.   Om toch in de winter  ‘iets’ te doen te hebben werden er fietscrossen georganiseerd volgens het autocross principe.  Er werd temidden van de verzamelde wielrenners een met Helium gevulde gasballon op gelaten die dan  ‘gegrepen’ moest worden.  Hierdoor werd op de grond door een pelotonnetje een wegdrijvende ballon gevolgd en ieder had zo zijn eigen vormen van navigatie.  De één koos voor omweggetjes terwijl de ander dwars door de velden ploegde en hekken en afrasteringen overklom om zo toch maar als eerste de ballon te pakken te krijgen.  Dat het nemen van een sloot gemakkelijker werd als er een laag ijs lag moge duidelijk zijn. Maar met de toenmalige materialen werd als het vroor, een andere ondergrond juist weer levensgevaarlijk.  De duur van de letterlijk ‘wilde’-wedstrijd was ongewis want wanneer de ballon gegrepen werd stond de winnaar vast en een podium was ook niet nodig als er maar één winnaar kon zijn.

Dan nu naar de Piste en met een hoofdletter geschreven omdat het toch een vorm van ‘hoge-school’ van het wielrennen is.  Gezellig ook omdat je er nog eens iemand (terug-)ziet maar vooral ook omdat  het er overkapt is en er dus altijd gereden kan worden.  Maar waarom heet een Derny-motor (80 cc. cylinderinhoud) nu  eigenlijk een Derny ??? (met de klemtoon op de laatste letter !) 

Bertus Raats en Jan Jonker vertelden mij eens een verhaal over de mysterieuze  meneer Derny.  Sommigen denken  bij Derny aan een Engelsman zoals bij Cricket maar  de uitvinder van de Derny motor was een Fransman die Alois Derny heette.  Onze vriend Alois werd een dagje ouder en was postbode in  de Franse Alpen.  Hij kwam de bergen niet meer zo gemakkelijk op en een hulpmotortje zou wel handig zijn bedacht hij.  Zo gezegd, zo gedaan.  Hij ontwikkelde een meetrap motortje  in de Diamant-driehoek van zijn fietsframe en waar nodig had hij mortorondersteuning.   Destijds was er al wel gemotoriseerde gangmaking met enorm grote motoren en ook vormen van wat men destijds ; ‘levende gangmaking’ noemde met tandems waar 5 renners opzaten waarvan de laatste niet mee trapte en die dan met een groot leren schort de wielrenner uit de wind ‘zette’.  In het Parijs van de 20-er jaren werd voor het eerst met een motor volgens hetprincipe-Derny’ gereden en het werd gelijk een groot succes.  De afmetingen zijn nog steeds die van vroeger en de regels waaraan de gangmaakmotor moet voldoen zijn erg uitgebreid.  Te denken valt bijvoorbeeld aan de achterspatbord breedte, de afstand zadel – stuur, de hoogte en noem maar op. Voor de renner is het ook niet onbelangrijk dat de uitlaat vlak op het weg (of baan-) dek ligt zodat de ‘gassen’ laag blijven.  De gangmaker moet zich aanpassen aan de motor en niet andersom. Het maakt dan wel wat uit of je Willem Fack  (bijna altijd wijdbeens want waar moet ie ze laten ?) of Uwe Raas op een Derny ziet rijden. De Zaankanter  Arie Simon bouwt ze nog in België en onderhoudt ze ook. In Japan en de rest van Azië wordt de belangstelling voor de Derny-motor  steeds groter en met Mathé Pronk als Europees kampioen én werelduurrecordhouder én  ons aller  Marianne Vos die van de weg én het veld is overgestapt naar de baan en voor de snelheid ook met regelmaat achter het ‘plofje’ rijdt  lijkt de interesse  onverminderd groot. Dat de service-beurten bij Arie Simon een gezellig week-end-tje  Belgie zijn lijkt me duidelijk en dat het dan ook  reuze gezellige ‘ouwehoer ontmoetingen’  en koeien uit de veldritsloot ophalen worden, lijkt me evenzo duidelijk.

Kijk dus eens met andere ogen naar deze rijke tradities binnen onze zo gekoesterde en veelbesproken sport.

Met vriendelijk en sportieve groeten,  Han Wind.